Sint-Martinus

Het land van Aalst was één der machtigste en meest welvarende kanselarijen van Vlaanderen tijdens het Oud Regiem, op fiscaal vlak zelfs belangrijker dan Gent.  Het omvatte een gebied begrensd door de Schelde (West en Noord), het hertogdom Brabant (Oost) en het graafschap Henegouwen (Zuid).  Aalst was de hoofdstad van dit graafschap en bezat als zodanig eigen recht en rechtspraak, had eigen symbolen, traditie en geestelijk patrimonium.  Op economisch vlak beleefde de stad tijdens het laatste kwart der 15de eeuw een forse heropleving.  Ook op intellectueelartistiek niveau was Aalst geen braakland.  De bronnen vermelden talrijke namen van kunstenaars van alle slag die te Aalst werkten.  In dit milieu groeiden Dirk Martens (1446-1534) en Pieter Coecke (1502-1550) op, naast zovele anderen die de stoot gaven voor het openbloeien van het humanisme en de renaissance in de Zuidelijke Nederlanden.
Economische voorspoed, bevolkingstoename, prestige van de stad die zelfs in 1483 binnen haar muren de "landtdach" van keizer Maximiliaan organiseerde, de ware bouwkoorts der 15de eeuw gepaard aan een intens religieus leven, verklaren het initiatief tot de bouw van de monumentale Sint-Martinuskerk.  Deze zou de 14de eeuwse bescheiden Sint-Maartenskerk vervangen, die overigens wegens "de multitude vanden inzetenen" te klein was geworden.

 

Bouwfasen van de kerk

Het koor of de eerste bouwfase (1480 - ca. 1495)
In 1480 begon men de bouwwerken met de straalkapellen achter het koor. De activiteiten verliepen gunstig, tot in 1485 Aalst door de pest werd geteisterd. Financieel deed de stad grote inspanningen, allerhande accijnzen werd er door de stad aangewend. Steen werd geleverd uit Vilvoorde en vermoedelijk ook uit de streek Meldert, Vlierzele.

De tweede bouwfase, het zuidelijk en de aanzet van het noordelijk transept, alsook de zuidelijke zijbeuk van het schip (ca. 1525 - 1565)
In 1527 werd Laurens II Keldermans als architect aangenomen.  Hij behoorde zoals zijn voorganger (Herman I de Waghemakere) tot een roemrijk Brabants bouwmeestersgeslacht.  Hem worden de plannen en de aanzet toegeschreven van de zuidelijke kruisbeukarm.  De steen kwam ditmaal uit de groeven van Willem Vrominck te Lede en Hekelgem.  Uit de schenkingsakte van een glasraam in de gevel aan de Pontstraat door Keizer Karel blijkt dat het zuidelijk transept omstreeks 1554 voltooid was.  Intussen begon men met de bouw van het schip, vooral aan de zuidzijde, waarin de jaartallen 1551 en 1552 werden gekapt.

Derde bouwfase: onderbreking en geleidelijke uitbouw (ca. 1565 - 1650)
De werken werden onderbroken door de godsdiensttroebelen. Eerst in 1595 werd de schade hersteld aan het gebouw.  Sporadisch werkte men verder aan de in opbouw zijnde gedeelten.  Niettegenstaande de stad voor de nieuwe inkomsten zorgde, bewijzen de bronnen een geringe progressie.  Het stadsplan van De Dijn geeft een beeld van het gebouw in deze periode.  Het koor en de zuidkant van de dwarsbeuk zijn af en van een dak voorzien.  De noordgevel is in opbouw. De viering is er nog niet, evenmin als het dak van de middenbeuk.

Vierde bouwfase: de werken worden voltooid tot de huidige toestand
In 1650 werd dan de voltooiing tot de huidige toestand aanbesteed. Gheeraert Spillebout en Gilles Negheleput, die de opdracht van 25.500 gulden in de wacht sleepten, dienden al het verweerd metselwerk af te breken, de noordelijke transeptarm verder af te werken, een gedeelte van de zuidzijde van het schip af te breken en te herbouwen, de noordkant van het schip vanaf de grondvesten op te richten en tot slot een voorlopige bakstenen westgevel op te trekken.  Wat de toren betreft zouden plannen worden voorgelegd, die in 1655 door Tobias Oosterlinck werden getekend.  Op dat ogenblik waren de werken al beëindigd, zodat de uitvoering van deze werken kan worden betwijfeld.

 

Herstellingen

De belangrijkste restauratie geschiedde van 1854 tot 1867 onder leiding van architect Joostens.  Naar zijn plannen werden ook de stenen borstweringen van de bovenomloop geplaatst alsook vanaf 1862 de buitengaanderij.  In 1894 plaatste Leo De Vos de stenen bekapping van de vier transepttorrentjes.  Vanaf 1900 werden de restauraties van het interieur uitgevoerd onder leiding van stadsarchitect Julius Goethals.

Vanaf de tweede helft der 19de eeuw werd druk gesproken over de verdere afwerking van de kerk, maar de bouw van de Sint-Jozefskerk kreeg toen prioriteit.  In het begin der 20ste eeuw werd het principe van volledige voltooiing der kerk met inbegrip van een monumentale westertoren opnieuw ter tafel gelegd.

De schade aan de kerk tijdens de beide wereldoorlogen bleef eerder beperkt.  Anders verliep het op zaterdag 29 maart 1947 toen het dak van de kerk in de vlammen opging.  Enorme schade werd hierdoor aangericht.